Bij de dood van een lieve zorgmijder

Anderhalf jaar geleden viel hij ook al. Toen van de trap. Het kostte hem 24 uur om van de hal naar de telefoon in de woonkamer te kruipen. De gebroken heup herstelde maar hij werd niet meer de oude. We zagen elkaar een paar jaar wekelijks, om boodschappen te doen. Altijd bij de Agrimarkt, bijna iedere keer dezelfde etenswaar in de kar. Voor zijn val kookte hij nog vaak zelf. Mosselen, stamppotten, zalm met zeekraal. De laatste tijd kochten we 4-5 kant-en-klaar maaltijden. De andere dagen belde hij het Goese snackwezen. Of at brood: al belegde sandwiches. Wel net zo makkelijk, als je blind bent.

Ons vrijdagse treffen begon met elkaars week door te nemen. Daarna kwamen de politiek, het Nederlands elftal (of een willekeurige andere sport die in het nieuws was) en, ook vaak, muziek. Een passie van ons beiden. Hij vertelde enthousiast over de gitaar die hij bespeelde. Over auto’s ook, want voordat hij blind werd was ie monteur. En we hebben ontzettend veel gelachen. Ook over zijn blind zijn. We zouden nog een keer naar een porceleinwinkel. Hij met stok. “Mannenhumor”, concludeerde de vrouw die ons samenbracht. Het wekelijkse bijpraten leek veel op dat met een andere vriend. Die ontmoette ik in een koor. Als de dirigent andere partijen onder handen nam konden we zacht fluisterend de laatste weeknieuwtjes uitwisselen. Ook over van allerlei maar vooral ons leven. Geloof me, je leert elkaar door die korte wekelijkse ontmoetingen beter kennen dan menig familielid of andere vriend. En het wordt een vertrouwd deel van je leven. Iedere donderdag tegen zes uur het telefoontje: “Hoe laat kom je morgen?”. Ik noem een tijd. “Tot morgen”. Als mevrouw Omta opneemt duren de gesprekken langer.

De laatste tijd ging het niet goed. Lichamelijk en tussen de oren kost het leven hem steeds meer moeite. Eenvoudige handelingen worden uitdagingen. We schuifelen iedere week langzamer door de supermarkt, een rits ritsen lukt niet meer, instappen in de auto wordt een dingetje. Evenals het vinden en op slot doen van een deur. Hij weet het telefoonnummer van zijn achtervang niet meer. Zijn wereld is nog maar heel klein. Enkele familieleden, zorgzame buren. En de thuiszorg.

Vorige week nog uitgebreid met zijn familie de zorgen gedeeld. Veel herkenning in de verhalen en observaties. Afgesproken over de hele linie te blijven aandringen op een bezoek aan huisarts of internist. Maar in de wetenschap dat dit een lastig verhaal zou blijven. Want hij wilde geen zorg. En al helemaal niet buiten de deur of richting medische stand. Het waren zinloze gesprekken. Het zou allemaal goed komen en was helemaal niet nodig. Echt niet. Niets aan de hand. Als mantelvertroetelaar sta je dan met lege handen. Mevrouw Omta, ze kent het universum van zorg en welzijn goed: “Al stuur je de wijkagent op hem af. Als hij aan de deur zegt dat het prima gaat, kan die ook niets doen”. Gisteren is hij weer gevallen. Nu voorgoed. Nooit meer bij de kassa: “Tot ziens, heej!”

Dit bericht is geplaatst in Foto, Goes. Bookmark de permalink.

Geef een reactie